Flitskrediet en Litouws recht en consumentenbescherming Zaaknummer 6562748 \ CV EXPL 18-109 5/5 (2)

0
218
Er is weer een uitspraak van de rechter die invloed heeft op de werkwijze van de verstrekkers van Flitskredieten. Het tussenvonnis van 1 augustus 2018 en het gaat om Flitskrediet en Litouws recht en consumentenbescherming.
Er is weer een uitspraak van de rechter die invloed heeft op de werkwijze van de verstrekkers van Flitskredieten. Het tussenvonnis van 1 augustus 2018 en het gaat om Flitskrediet en Litouws recht en consumentenbescherming.

Er is weer een uitspraak van de rechter die invloed heeft op de werkwijze van de verstrekkers van Flitskredieten. Het tussenvonnis van 1 augustus 2018 en het gaat om Flitskrediet en Litouws recht en consumentenbescherming.

InstantieRechtbank Limburg

Datum uitspraak 01-08-2018
Datum publicatie 22-08-2018
Zaaknummer 6562748 \ CV EXPL 18-109
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 6562748 \ CV EXPL 18-109

Vonnis van de kantonrechter van 1 augustus 2018

in de zaak van:

de vennootschap naar buitenlands recht PALDEN FINANCE OÜ LIETUVOS FILIALAS, h.o.d.n. LOANRIDER,

gevestigd te Vilnius ,

eisende partij,

gemachtigde Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De verdere procedure

1.1.In het tussenvonnis van 25 april 2018 is het geschil al weergegeven. Aan eiseres is opgedragen om zich uit te laten over het toepasselijke recht.

1.2.Eiseres heeft dat vervolgens gedaan, bij nadere conclusie op de rolzitting van 20 juni 2018.

1.3.Gedaagde mocht daar nog op reageren en deed dat bij nadere antwoordconclusie op de rolzitting van 11 juli 2018.

1.4.Tot slot is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 De verdere beoordeling

2.1.Noch gesteld noch gebleken is dat en hoe de door eiseres bij repliek overgelegde algemene voorwaarden deel uitmaken van de kredietovereenkomst die eiseres bij dagvaarding heeft ingebracht.

2.2.

Wat in die algemene voorwaarden dus staat over de toepasselijkheid van het recht

– in het eerdere tussenvonnis werd die enigszins cryptische tekst onder 3.3 weergegeven – is niet relevant. Er is alleen de inhoud van de kredietovereenkomst, die partijen bindt. En in artikel 19 daarvan staat duidelijk dat Litouws recht van toepassing is op de overeenkomst. Uit artikel 2 moet verder worden afgeleid dat het specifiek gaat om “de Litouwse Wet op het Consumentenkrediet d.d. 23-12-2010 (LT: Lietuvos Respublikos vartojimo kredito istatymas d.d. 23-12-2010; Nr.XI-1253).”

2.3.Hoe zit dat nu met die toepasselijkheid van dat Litouws recht? Dat was de vraag die de kantonrechter in het tussenvonnis van 25 april 2018 opwierp.

2.4.Eiseres heeft in haar nadere conclusie de kantonrechter helaas niet veel wijzer gemaakt. Ze heeft verwezen naar artikel 6 lid 1 van de EG-Verordening nr. 593/2008 (het zogenoemde Rome I, inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst), stellende dat het gaat om een consumentenovereenkomst en dat dús het recht van het land van de verblijfplaats van de consument (in dit geval: Nederland) van toepassing is.

2.5.Daarbij ziet eiseres echter over het hoofd dat volgens artikel 3 van de EG-Verordening een overeenkomst in beginsel wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen en dat artikel 6 lid 2 aan partijen bij een consumentenovereenkomst de mogelijkheid biedt om te kiezen voor ander toepasselijk recht, mits die keuze er maar niet toe leidt dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het recht dat overeenkomstig lid 1 toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.

2.6.Dus: bij deze consumentenovereenkomst in kwestie mag Litouws recht worden gekozen in plaats van Nederlands recht, mits de consument (gedaagde) niet de bescherming verliest die hij geniet op grond van Nederlands dwingendrechtelijk (consumenten)recht.

2.7.Eiseres heeft nagelaten om de kantonrechter inzicht te geven in de wijze waarop de Litouwse Wet op het Consumentenkrediet de consument beschermt. En zo ontbreekt een maatstaf om te kunnen beoordelen of een consument volgens die wet minder (of meer!) wordt beschermd dan volgens het Nederlandse dwingendrechtelijke consumentenrecht. De kantonrechter begrijpt gedaagde dan ook wel als die in zijn laatste conclusie concludeert: “eiser wenst kennelijk geen inzicht te geven in het Litouwse recht zodat onduidelijk blijft onder welk recht de consument (het beste) is beschermd.”

2.8.Nu in beginsel dus Litouws recht van toepassing is en niet nu al gezegd kan worden dat het Litouwse recht in dit geval minder consumentenbescherming biedt dan het Nederlands dwingendrechtelijk consumentenrecht, kan de kantonrechter dus nog niet het spoor volgen van zijn collega van de rechtbank Rotterdam in diens uitspraak van 13 juli 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:5661). Die kantonrechter oordeelde in een soortgelijke zaak dat het ging om een kredietovereenkomst en dat de regels omtrent (o.a.) maximale kredietvergoedingen waren overschreden door de extra garantstellingskosten die onderdeel waren van de kredietvergoeding en dat volgens Nederlands recht de kredietovereenkomst daarom nietig was en/maar dat het geleende bedrag wel uit hoofde van onverschuldigde betaling moest worden teruggegeven. De kantonrechter oordeelde verder: “Ook de stelling van Palden Finance dat het recht van Litouwen van toepassing is, baat haar niet, omdat gedaagde als consument daartegen beschermd wordt. De bescherming die hem op grond van het Nederlands recht geboden wordt, kan hem niet worden ontnomen.”

2.9.Dat laatste klopt op zich wel wel, maar eerst moet toch zorgvuldigheidshalve worden bekeken naar het Litouws recht. De kantonrechter is met het oog daarop voornemens aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag te vragen om te rapporteren in deze zaak, onder voorbehoud van een conveniërende begroting, want de kosten komen op deze manier ten laste van de rechtbank.

2.10.Indien de opgegeven begroting niet in redelijke verhouding zal staan tot het belang van de zaak – welk belang uiteraard meer is dan de enkele hoogte van de vordering; de kantonrechter houdt er rekening mee dat er meer rechtszaken rondom deze vorm van kredietovereenkomst met Litouws recht aan de orde zijn of komen; eiseres zal hem ook daarover informeren – zal de kantonrechter een deskundigenbericht gelasten langs de normale regels van artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij eiseres dan conform de hoofdregel het voorschot moet voldoen en de kosten uiteindelijk voor rekening zullen komen van de bij eindvonnis in het ongelijk gestelde partij (en dat kan dan ook gedaagde zijn, die dan alsnog alle door eiseres voorgeschoten kosten van het deskundigenonderzoek moet vergoeden).

2.11.

Alvorens het Internationaal Juridisch Instituut te benaderen, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen om zich daarover (inclusief de vraagstelling, zie hieronder) uit te laten. Zij kunnen er uiteraard ook voor kiezen om de zaak praktisch op te lossen op de wijze die in het Rotterdams vonnis is aangegeven: gedaagde betaalt dan

€ 150,00 en that’s it!

2.12.De kantonrechter is voornemens om bij volgend tussenvonnis aldus te beslissen:

vraagstelling

verzoekt het Internationaal Juridisch Instituut (I.J.I.) te Den Haag om antwoord te geven op de volgende vragen (onder voorbehoud van een conveniërende begroting):

– Welke regels geeft het Litouws recht voor het sluiten van een kredietovereenkomst als de onderhavige?

– Zijn partijen daarbij gebonden aan regels omtrent maximale kredietvergoedingen?

– Zijn de extra kosten van commerciële garantstelling volgens Litouws recht onderdeel van de kredietvergoeding, ook als die garantstellingskosten feitelijk aan een andere organisatie moeten worden betaald?

– Is volgens Litouws recht de kredietovereenkomst nietig indien de regels omtrent een maximale kredietvergoeding zijn overschreden, net als de kantonrechter van Rotterdam volgens Nederlands recht oordeelde in zijn uitspraak van 13 juli 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:5661)?

– Heeft u overigens nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak?

kosten

verzoekt het I.J.I. om binnen 2 weken na heden een begroting van haar kosten en de voor haar onderzoek benodigde tijd te sturen aan de kantonrechter die dit vonnis wijst;

bepaalt dat het I.J.I. de begroting als goedgekeurd mag beschouwen, indien zij 2 weken nadien geen andersluidende reactie van de rechtbank heeft ontvangen;

verzoekt het I.J.I. om de kantonrechter die dit vonnis wijst, tijdig op de hoogte te stellen van een dreigende overschrijding van de begroting;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek van het I.J.I. ten laste komen van de rechtbank,

verzoekt het I.J.I. om bij haar definitieve rapport een factuur te voegen met een specificatie van haar werkzaamheden (het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten);

werkwijze

bepaalt dat het I.J.I. bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

bepaalt dat het I.J.I. een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om opmerkingen over het concept te maken,

verzoekt het I.J.I. om haar definitieve rapport aan de griffier te sturen,

bepaalt dat uit dit definitieve rapport moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om verzoeken te doen en opmerkingen te maken, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige verzoeken en opmerkingen, en verzoekt het I.J.I. om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen,

overige beslissingen

draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te sturen aan het I.J.I.,

draagt eiseres op om een kopie van het complete procesdossier toe te sturen aan het I.J.I.;

draagt de griffier op na ontvangst van het definitieve rapport:

– een afschrift daarvan aan partijen toe te sturen;

– de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na rapport aan de zijde van eiseres en om partijen daarvan bericht te doen;

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.stelt partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de vraag:

  1. of zij de zaak (zie ook hierboven bij 2.11) praktisch willen regelen op de wijze als aangegeven door de Rotterdamse kantonrechter (€ 150,00 en ieder draagt de eigen proceskosten)? (Zaaknummer 6568798 \ CV EXPL 18-986)
  2. Zo niet, wat zij vinden van het voornemen om het Internationaal Juridisch Instituut in te schakelen en van de concept-vraagstelling (zie hiervoor bij 2.12)?

3.2.stelt eiseres ook in de gelegenheid om zich uit te laten over de vraag:

c) of en zo ja, hoeveel rechtszaken betreffende een kredietovereenkomst als de onderhavige waarop Litouws recht van toepassing is verklaard, binnenkort voor de Nederlandse rechter worden gebracht (i) of al al voor de rechter zijn gebracht (ii) en, indien van toepassing, zijn afgedaan, en zo ja, hoe dan (iii)?

3.3.verwijst de zaak daartoe naar de rol van 29 augustus 2018, voor akte aan de zijde van beide partijen;

3.4.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken.

Please rate this

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here